IST afbeelding
IST afbeelding
25 juni 2026

“Vinkjes” in het strafrecht? Sociaaleconomische en etnische ongelijkheid in de strafrechtketen

De samenleving wordt etnisch diverser en economisch ongelijker. Die ongelijkheid bepaalt voor een deel de uitkomsten in de strafrechtketen, zo blijkt uit onderzoek. Jongeren zonder migratieachtergrond en jongeren die op het VWO zitten krijgen bij vergelijkbare delicten vaak iets lichtere straffen dan jongeren met een migratieachtergrond en jongeren die op het VMBO zitten. Is er dus sprake van discriminatie in ons strafrecht? “Zo simpel is het zeker niet,” volgens prof. dr. Arjen Leerkes en dr. Petra de Jong van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Zij zien sociaaleconomische selectiviteit, een strafrechtelijk systeem dat wantrouwen kweekt en ja, ook uiteindelijk een onverklaarbaar verschil tussen jongeren met en zonder migratieachtergrond. Discriminatie dus. Toch?

Het onderzoeksproject van de route Jeugd van de Nationale Wetenschapsagenda (NWA) waarin dit onderzocht wordt heet: ‘In search of trust (IST): towards effective interventions to monitor and reduce racial and socio-economic sanctioning disparities.’ Dit project heeft als doel om het wederzijds vertrouwen te versterken tussen instanties in het strafrechtsysteem enerzijds en jongeren met een migratieachtergrond of zwakkere sociaaleconomische positie anderzijds. Het gebrek aan vertrouwen is namelijk zowel oorzaak als gevolg van de verschillen in sanctionering van criminaliteit in de ‘keten’ van strafrecht: van verdenking tot vrijheidsstraf. Ook gaat het consortium op zoek naar interventies die de ongelijkheid in de sanctionering van criminaliteit kunnen verminderen.

Jongeren als co-onderzoekers
Het onderzoek werd opgestart in 2024 en loopt tot en met 2028. In het consortium is de praktijk in al haar breedte vertegenwoordigd: van het Openbaar Ministerie en de Inspectie Justitie en Veiligheid tot politieagenten en maatschappijleraren. Er zijn ook tal van kennisinstellingen bij betrokken en, zoals in elk project van de NWA-route Jeugd, jongeren zelf. Niet alleen als onderzoekspopulatie, maar jongeren met ervaringskennis zijn door de Erasmus Universiteit ook aangenomen als co-onderzoekers. Ze denken mee en brengen ook zelf ideeën in.

Kamermoties
“Samen met het WODC (Kennisinstituut voor de rechtsstraat) hebben we net twee nieuwe rapporten opgeleverd voor de Tweede Kamer; Vinkjes in het strafrecht en Scherp op selectiviteit.” legt Arjen uit. “De Kamer had een motie van de SGP aangenomen waarin onderzoek gevraagd wordt naar de samenhang tussen de afdoening van crimineel gedrag en iemands achtergrond. Omdat groepen met een migratieachtergrond steeds meer oververtegenwoordigd raken naarmate je als het ware dieper in het strafrechtsysteem kijkt. Ook was er een aangenomen motie van de SP om onderzoek te doen naar klassenjustitie in Nederland. Vrij vertaald: discrimineert ons strafrechtsysteem tussen arm en rijk? Omdat ons onderzoek al liep en goed aansloot op de kennisbehoefte van de Kamer, kwamen er extra middelen beschikbaar waarmee wij ons onderzoek konden uitbreiden en de situatie voor zowel jongeren als volwassenen hebben kunnen onderzoeken.”

Oververtegenwoordiging
Om te beginnen met die oververtegenwoordiging van mensen met een migratieachtergrond in de strafrechtketen: die blijkt groter te worden naarmate je ‘dieper’ in de keten komt. In Nederlandse detentiecentra zijn verdachten met een migratieachtergrond sterker oververtegenwoordigd dan in de verdachtenregistratie van de politie. Met andere woorden: een deel van de oververtegenwoordiging lijkt te ontstaan over de strafrechtketen, zo concludeerden Arjen, Petra en mede-onderzoekers. “Wij hebben daar een kwantitatief rapport over gemaakt: Van verdenking tot vrijheidsstraf. We hebben jongeren en volwassenen gevolgd, vanaf het moment dat ze bij de politie verschijnen: wie komt er bij het OM, wie bij de rechter en wie uiteindelijk in detentie? Dit konden we combineren met CBS-gegevens zoals woonplaats, woonsituatie, nationaliteit enzovoort. Dit leverde een unieke kwantitatieve analyse op van een grote dataset van informatie op persoonsniveau. Nederland is een van de weinige landen die deze, overigens zeer goed afgeschermde, data heeft en beschikbaar stelt voor onderzoek.”

Sociaaleconomische kenmerken
Petra: “We zien dat groepen met een migratieachtergrond vaker doorstromen naar die latere fase, naar detentie. De vraag is: Hoe kan dat? Plegen ze andere delicten? Dan is het legitiem. Als we controleren voor zaken zoals het soort delict en strafblad, dan zien we verschillen in de mate en aard van criminaliteit een deel van het verschil verklaren. Ook verschillen in sociaaleconomische positie, zoals opleidingsniveau of arbeidsmarktpositie blijken een deel van het verschil te verklaren. Maar ook als we met deze kenmerken rekening houden, blijft er een verschil tussen groepen met en zonder migratieachtergrond in de kans op een gevangenisstraf dat we niet kunnen verklaren. Om meer zicht te krijgen op mogelijke oorzaken, hebben we ook kwalitatieve interviews afgenomen met professionals rondom de strafrechtketen: officieren van justitie, rechters, mensen van Halt en politieagenten.”

“Mag iemands thuissituatie een rol spelen in welke straf hij krijgt?”

“We zagen dat er modellen gebruikt worden, waarin allerlei kenmerken staan die als ‘voorspellend’ worden beschouwd voor het risico dat iemand opnieuw in de fout gaat.” vult Arjen aan. “Daar staat afkomst niet bij, maar wel bijvoorbeeld ‘buurtkenmerken’. Dat gaat over iemands sociaaleconomische positie. De vraag is: wordt er wel genoeg rekening gehouden met het individu? Want wat gemiddeld misschien geldt voor mensen uit een bepaalde buurt geldt natuurlijk niet automatisch voor elk individu uit die buurt? Ook bij het kritisch kijken naar de inzet van discretionaire bevoegdheid, bij het opleggen van de straf, blijkt dat iemand die werk heeft minder vaak een gevangenisstraf krijgt opgelegd. Dan kun je zeggen: het is dus geen discriminatie naar afkomst, maar mag het opleidingsniveau of de thuissituatie een rol spelen in welke straf iemand krijgt? Of dat mag is juridisch veel meer een grijs gebied.”

Helpen of strenger straffen?
Bij jongeren speelt ook nog de achtergrond van de ouders mee. Petra: “Spreken ze bijvoorbeeld Nederlands? Kunnen zij ervoor zorgen dat de jongere afspraken nakomt? Zijn ze hoogopgeleid, waardoor ze misschien makkelijker kunnen schakelen met instanties? Denken instanties dat ouders het misschien wel zelf af zullen kunnen? Op jonge leeftijd wordt dus al gekeken naar omstandigheden waar degene die veroordeeld wordt in principe niks aan kan doen.” Arjen: “Het is niet zo gek dat gekeken wordt naar welke opties er zijn voor formele controle via instanties en informele sociale controle via ouders, school en buurt. Maar de vraag is: help je jongeren in minder bevoorrechte omstandigheden daar echt mee? Of ben je vooral strenger aan het straffen?”

Discriminatie of systeemfout?
En dan: na de selectiviteit op de sociaaleconomische aspecten zoals een thuissituatie blijft er nog steeds een onverklaard verschil over tussen mensen met en zonder migratieachtergrond. Dat lijkt dan toch directe selectiviteit op herkomst. Petra: “We zijn dan geneigd om die ongelijkheid in het strafrecht toe te schrijven aan vooroordelen onder beslissers. Maar op basis van inzichten uit de praktijk zien we dat het vaak niet gaat om vooroordelen, maar om een systeem waar sommigen beter op aansluiten dan anderen.” Arjen vult aan: “Eerder dachten we: er zijn misschien professionals die een anti-discriminatietraining nodig hebben. Maar er speelt iets anders, iets groters: het gaat om de positie van het strafrecht in een etnisch diverse en ongelijke samenleving, waardoor niet iedereen dezelfde aansluiting heeft bij dat systeem.”

Ongeschreven regels
Petra: “Om die laatste conclusie concreet te maken: uit ons onderzoek blijkt dat er in het strafrechtssysteem allerlei geschreven en ongeschreven regels zijn, die jongeren vaak niet goed kennen of begrijpen. Zaken of momenten die misschien vanzelfsprekend zijn als je in het systeem werkt, maar die onder jongeren tot misverstanden of verkeerde aannames kunnen leiden. Het gaat dan soms om situaties die redelijk gemakkelijk om te buigen zijn als we ons ervan bewust zijn hoe een jongere ze kan ervaren.”

“Er kan nooit een onafhankelijk oordeel komen over mij”

De onderzoekers spraken veel jongeren en ontdekten bijvoorbeeld dat een bepaald beeld kan worden gewekt als de rechter en de officier van justitie tegelijk de rechtszaal in komen lopen. De jongere denkt dan: die twee horen bij elkaar. Er kan nooit een onafhankelijk oordeel komen over mij. Of de ‘regel’ dat de officier eerst een requisitoir houdt, waarna de jongere nog iets mag zeggen. Maar het requisitoir kan zoveel indruk maken, en boosheid opwekken, dat een jongere denkt: laat maar. Hier kan ik toch niet meer tegenop. De rechter ziet dan een jongere die niet mee wil werken. Een advies zou dus kunnen zijn: laat de jongere eerst aan het woord en daarna de officier van justitie. Zodat de rechter in elk geval een zo goed mogelijk beeld kan krijgen.”

Oplossingsrichtingen
De onderzoekers hebben meerdere ideeën over mogelijke oplossingsrichtingen. Denk bijvoorbeeld aan experimenteren met blinde afdoening. Heeft een beslisser het altijd nodig om in een dossier een foto, een naam en andere gegevens te zien? Kunnen we voorkomen dat bewuste of onbewuste stereotypering wordt toegepast? En de risico-classificatiemodellen, waarin bijvoorbeeld buurtgegevens worden meegenomen, nemen Arjen en Petra ook graag onder de loep.

“We willen experimenteren met blinde afdoening”

Arjen: “Ons doel is het verkleinen van de afstand tussen de leefwereld van de instituties en de leefwereld van gedaagden. Want hoe moet iemand eigenlijk weten aan welke standaarden je moet voldoen als je voor de rechter verschijnt? Het huidige systeem plakt een normatief oordeel op hoe goed iemand zich aanpast aan de institutie. Wie werkt mee, wie niet? Jongeren krijgen niet allemaal in dezelfde mate van huis uit meer mee hoe ze aan verwachtingen van instanties kunnen voldoen. In de sociologie noemen we dat ‘concerted cultivation’. Het is belangrijk dat we dat benoemen.”

Vertrouwen
Dan de vertrouwenskwestie. Arjen: “In Nederland is er gelukkig relatief veel vertrouwen tussen burgers en instanties. Maar als je kijkt naar de politie dan zie je dat het vertrouwen onder jongeren lager is dan onder volwassenen, en bij jongeren met een migratieachtergrond en een lagere sociaaleconomische status nog lager. Als het vertrouwen lager is, bijvoorbeeld omdat het idee bestaat dat de politie etnisch profileert of mensen niet respectvol behandelt, dan kunnen interacties minder goed verlopen. En dat kan het wederzijdse vertrouwen vervolgens weer verder aantasten. Daarom willen we een interventie ontwikkelen om wederzijds vertrouwen te versterken. Jongeren en politie gaan samen aan het nadenken over hoe zo’n interventie eruit kan zien. Wat kunnen we doen om die interacties beter te laten verlopen? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat wat we ontwikkelen goed aansluit bij hun behoeften en bij wat er al bestaat.”

Reflectieve uitspraak
Petra sluit af: “Wat we hopen: dat het onderzoek een bijdrage levert aan reflectieve rechtspraak. Dat elke ‘speler’ zich bewust is van de eigen positie. Want niemand staat buiten de samenleving, we maken er deel van uit, ook rechters en ook wij als wetenschappers. Het daarom belangrijk om alert te blijven op hoe onze eigen positie ons gedrag kan beïnvloeden.” De onderzoekers worden inmiddels regelmatig uitgenodigd bij rechtbanken en gaan periodiek inzichtelijk maken, op basis van kwantitatieve data, hoe het ervoor staat met die ongelijke uitkomsten. “We zouden deze monitoring graag institutionaliseren zodat hij ook blijft bestaan als ons project is afgerond. Daar is nu veel voorwerk voor gedaan. Zodat we kunnen zien: als we veranderingen toepassen of ons meer bewust worden van ongelijkheden, krijgen we dan inderdaad minder ongelijke uitkomsten? Het zou een investering zijn in een rechtvaardige, veilige toekomst voor iedereen. Want als de samenleving verandert moeten we met zijn allen meebewegen. En scherp blijven op onrechtvaardigheden in het systeem. Dat is precies waar dit onderzoek over gaat.”

Hier lees je meer over dit onderzoek in eerder verschenen publicaties.

Onderzoeksconsortium
Het consortium is een samenwerkingsverband van de Erasmus Universiteit Rotterdam, Universiteit Leiden, de Politieacademie, het Kenniscentrum Talentontwikkeling van de Hogeschool Rotterdam, het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC), de Politie Rotterdam, Halt Nederland, het Openbaar Ministerie, de gemeente Rotterdam, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, RADAR, en Durdu Advocaten Rotterdam. Het consortium gaat daarnaast samenwerken met Amnesty International, de Inspectie Justitie en Veiligheid, de Nationale Politie, het CBS, en de Nederlandse Vereniging van Leraren Maatschappijleer.

Dit project wordt mede mogelijk gemaakt door:

Logo 1
Logo nwa
Logo
Logo color dark